De eerste veiling van 'The Boonekamp Collection' is geschied. Het overgrote deel van de Leidse literaire handtekeningenlawine is goed terechtgekomen; slechts een kwart van de kavels bleef onverkocht.
Beide kavels met het door mij ge(roof)drukte poëziedebuut "Laatste gedichten" van Hans Andreus (N.pl., n.pr., c. 2007) van Benno Barnard hebben een nieuwe eigenaar gevonden. Eén kaveltje Barnard, waarin nota bene een exemplaar van zijn mooiste boek, bleef op de planken liggen. De schrijver moet het onder de hamer komen van zijn werken wel met (leed)vermaak hebben aanschouwd. Zijn commentaar op deze geschiedenis was kort. 'Zo wordt men zijn eigen curiosa.'
Welke Barnard-fans in Leiden hebben toegeslagen is mij niet precies bekend. De nieuwe eigenaar van kavel 377, waarin een uitgebreid gesigneerd exemplaar van "Laatste gedichten" van Hans Andreus, heeft zich inmiddels gemanifesteerd. Een boekwinkeltje in Franeker biedt het drukwerkje sinds gisteren aan. De opdracht van Barnard aan Boonekamp wordt volledig geciteerd: 'Voor Gert, mijn oudste gedicht. Bewaar me... Benno 18.12.07. Een biblioseksuele drukker stuurde me dit - ik wist van niks'. In de beschrijving staat achter het veld 'Uitgever' echter: 'Onbekend'. Voor 60 euro plus porto is het van u; mijn toelichting is gratis.
Het dubbelzinnige in deze opdracht van Barnard krijg ik nu pas in het oog. Natuurlijk, hij verkort hier de bekende krachtterm 'God, bewaar me!' Maar hij bedoelt het ook letterlijk: 'Bewaar me'. Gert Boonekamp werd door sommige dichters beschouwd als hun liefhebbende archivaris of zachtaardige conservator. Hij miste geen knipsel, geen bloemlezing, geen vouwblaadje, hoe obscuur ook.
Voor dichters, die zichzelf niet verzamelen, moet het een geruststellende gedachte zijn geweest dat iemand, ergens op de wereld, al dat papier trouw naar zijn huis sleepte en in kasten, dozen en mappen stopte. Om te lezen en om te bewaren.
19 mei 2013
5 mei 2013
Zij kopen kritiekloos
Naast vier dichtbundels verschenen er van A. Marja in de oorlog, zonder toestemming van de bezetter: een plaquette, twee vertalingen (proza en poëzie) en verschillende gedichten in minstens drie bloemlezingen. Dat is de score. Daarnaast was Marja, hoewel fysiek zwak, actief als uitgever voor In agris occupatis en de Volière-reeks. En in oktober 1944 begon hij in Groningen aan een reeks dagboeknotities, die in 1947 als Zeepbellen in de orkaan door De Bezige Bij werden uitgebracht.
Aan zijn dagboek vertrouwt Marja in november 1944 enkele kritische overwegingen over het peil van de huidige literatuur toe. 'Ik kan mij niet voorstellen, dat deze jaren een belangrijke poëtische oogst in ons land zullen opleveren. Wel wordt de clandestiene boekenmarkt overstroomd met talloze bundels en bundeltjes, zodat het zelfs voor een verzamelaar nauwelijks bij te sloffen is, maar toch maakt het geheel de indruk of een algehele matheid de gemoederen der dichters bevangen houdt.'
Niet alleen de oorlogsdichters, ook de kopers moeten het ontgelden: 'tegenwoordig kopen de zonderlingste mensen poëzie, niet alleen zwart-handelaars, dite het uit geldbelegging doen, maar ook notoire burgerlieden, in wier huis men vroeger hoogstens Het Financiële Weekblad of een psalmboek aan zou treffen. Zij kopen poëzie, dat wil zeggen zij kopen kritiekloos alles wat al of niet rijmt en tegen een exorbitant hoge prijs in de boekhandel wordt gebracht.' (Over de literaire inflatie in de Tweede Wereldoorlog schreef ik eerder eens.)
In december 1944, het begin van de koude hongerwinter, slaat de twijfel toe: gedichten kan Marja nu niet schrijven, het manuscript van zijn tweede (nooit verschenen) roman legt hij opzij. De oorlog heeft hem min of meer 'lamgeslagen'. Dezelfde vraag spookt door zijn hoofd: 'Mag men, terwijl in Amsterdam duizenden weerloze joden worden weggesleept, in Groningen de lettergrepen van een nieuw sonnet zitten tellen?' De dichter worstelt met zijn artistieke aspiraties.
Zijn poëtische productie lag in het laatste oorlogsjaar stil, en van sommige illegale initiatieven moest hij niets hebben, maar toch zal A. Marja geen actief ontmoedigingsbeleid hebben gevoerd. Tot in het voorjaar van 1944 verschenen er deeltjes in de mede door Marja gerunde Volière-reeks. Sommige deeltjes werden zo goed verkocht dat Marja een tweede druk oplegde, in 90 exemplaren. Een klein deel van de opbrengst van de boekjes was bestemd voor Marja, voor zijn vrouw Puckje en zijn dochtertje Marjo.
En lezen bleef hij ook - met haast religieuze toewijding. Aan het eind van Zeepbellen in de orkaan beseft Marja, die zich vanwege het luchtalarm in een kerk verschuilt, dat 'vandaag of morgen' de elektriciteit zal worden afgesloten. 'Eventuele hongersnood leek mij plotseling minder erg dan de geestdodende duisternis, waarin geen boek meer ter hand genomen zou kunnen worden.' Dan ontwaart hij, naast het beeld van de heilige maagd, 'een kaars van formidabele afmetingen'. Die verdwijnt, als de koster uit zicht is, onder de jas van de dichter.
Aan zijn dagboek vertrouwt Marja in november 1944 enkele kritische overwegingen over het peil van de huidige literatuur toe. 'Ik kan mij niet voorstellen, dat deze jaren een belangrijke poëtische oogst in ons land zullen opleveren. Wel wordt de clandestiene boekenmarkt overstroomd met talloze bundels en bundeltjes, zodat het zelfs voor een verzamelaar nauwelijks bij te sloffen is, maar toch maakt het geheel de indruk of een algehele matheid de gemoederen der dichters bevangen houdt.'
Niet alleen de oorlogsdichters, ook de kopers moeten het ontgelden: 'tegenwoordig kopen de zonderlingste mensen poëzie, niet alleen zwart-handelaars, di
In december 1944, het begin van de koude hongerwinter, slaat de twijfel toe: gedichten kan Marja nu niet schrijven, het manuscript van zijn tweede (nooit verschenen) roman legt hij opzij. De oorlog heeft hem min of meer 'lamgeslagen'. Dezelfde vraag spookt door zijn hoofd: 'Mag men, terwijl in Amsterdam duizenden weerloze joden worden weggesleept, in Groningen de lettergrepen van een nieuw sonnet zitten tellen?' De dichter worstelt met zijn artistieke aspiraties.
Zijn poëtische productie lag in het laatste oorlogsjaar stil, en van sommige illegale initiatieven moest hij niets hebben, maar toch zal A. Marja geen actief ontmoedigingsbeleid hebben gevoerd. Tot in het voorjaar van 1944 verschenen er deeltjes in de mede door Marja gerunde Volière-reeks. Sommige deeltjes werden zo goed verkocht dat Marja een tweede druk oplegde, in 90 exemplaren. Een klein deel van de opbrengst van de boekjes was bestemd voor Marja, voor zijn vrouw Puckje en zijn dochtertje Marjo.
En lezen bleef hij ook - met haast religieuze toewijding. Aan het eind van Zeepbellen in de orkaan beseft Marja, die zich vanwege het luchtalarm in een kerk verschuilt, dat 'vandaag of morgen' de elektriciteit zal worden afgesloten. 'Eventuele hongersnood leek mij plotseling minder erg dan de geestdodende duisternis, waarin geen boek meer ter hand genomen zou kunnen worden.' Dan ontwaart hij, naast het beeld van de heilige maagd, 'een kaars van formidabele afmetingen'. Die verdwijnt, als de koster uit zicht is, onder de jas van de dichter.
3 mei 2013
Zelfportretten voor haar
In de oorlogsjaren zijn, in het geheim en vaak tegen de bezetter gekeerd, bijna duizend bundels en boeken verschenen. Bibliograaf Dirk de Jong geeft 982 titels in zijn onmisbare werk Het vrije boek in onvrije tijd. Bibliografie van illegale en clandestiene bellettrie (1958). Vier dichtbundels staan op naam van A. Marja.
De eerste clandestiene bundel verzorgde de dichter zelf, in samenwerking met de bevriende schrijver Hans Redeker. Kerstballade 1940 verscheen te Groningen in februari 1941 in een oplage van 30 genummerde exemplaren, aldus het colofon. De Jong meldt in zijn bibliografie dat het werkelijke aantal exemplaren slechts 10 bedraagt. (Ik heb deze bundel nooit van mijn leven gezien.)
De tweede en derde bundel van Marja verschenen in 1943 en 1944 bij de kleine uitgever F.G. Kroonder, onder het impressum Homerus Pers. Van Maar ja, Marja en Waar ik ook ga werd een deel van de oplage op luxer papier gedrukt, genummerd en gesigneerd door de dichter. (Diverse exemplaren staan hier in de kast.)
Zelfportret voor haar is de vierde bundel - bij De Jong residerend onder nummer 541. De acht sonnetten in dit bijna vierkante boekje schreef A. Marja in betrekkelijk isolement: vanwege ernstige problemen met zijn darmen woonde de dichter bij zijn vader, dominee Mooij in Yerseke. Zijn geliefde bleef achter in Groningen. Voor haar heeft Marja in november 1943 dit poëtische zelfportret geschreven. Sombere gedichten.
De titelpagina geeft geen plaatsnaam, maar alleen de uitgever: In agris occupatis. Geleid door een driemanschap nam in deze uitgave Marja het voortouw. Hij vond in Yerseke een drukker bereid om de clandestiene bundel te verzorgen. De heer E.Th. Zoeteweij moest de gedichten met de hand zetten, maar door het gebrek aan loden letters kon hij niet meer dan twee gedichten tegelijk drukken. Zoeteweij was gedwongen om na voldoende afdrukken het zetsel weer te distribueren en de volgende twee gedichten te zetten en te drukken.
A. Marja kreeg de eerste exemplaren van zijn nieuwe bundel onder ogen op 14 maart 1944. Alle honderd exemplaren van Zelfportret voor haar ('welke niet in de handel komen') heeft hij toen in het colofon Arabisch genummerd en Hollands gesigneerd. De datum staat vast: aan verschillende vrienden stuurde hij het bundeltje toe, op de Franse titel voorzien van vergelijkbare opdrachten en nogmaals gesigneerd met dezelfde datum. (Ferdinand Langen schonk mij ooit zijn exemplaar.)
Dit is geen wonder van typografie. Zelfportret voor haar is eenvoudig met blauwe inkt gedrukt in een onopvallende cursief op dun houthoudend papier. Vier velletjes, een grijzig kaftje, twee nietjes. Andere uitgaven van In agris occupatis hebben ten minste een kleurrijk druksel van H.N. Werkman voorop. Hier alleen auteur en titel. Het colofon toont misschien een beetje verbeelding: het is in de vorm van een op de punt staande driehoek gezet.
Wat Dirk de Jong niet wist en wat ik onlangs per abuis ontdekte: Zoeteweij drukte er, naast de 100 reguliere exemplaren, een paar op papier van een betere, zwaardere kwaliteit ('gehammertes'). Het boekje is millimeters groter en keurig met een koordje gebonden. Luxe-exemplaren bestemd voor de auteur? (Ik ben in het gelukkige bezit van twee stuks, beide met opdracht, gesigneerd op 14 maart 1944, in het colofon genummerd 'IV' respectievelijk 'IX'.)
De eerste clandestiene bundel verzorgde de dichter zelf, in samenwerking met de bevriende schrijver Hans Redeker. Kerstballade 1940 verscheen te Groningen in februari 1941 in een oplage van 30 genummerde exemplaren, aldus het colofon. De Jong meldt in zijn bibliografie dat het werkelijke aantal exemplaren slechts 10 bedraagt. (Ik heb deze bundel nooit van mijn leven gezien.)
De tweede en derde bundel van Marja verschenen in 1943 en 1944 bij de kleine uitgever F.G. Kroonder, onder het impressum Homerus Pers. Van Maar ja, Marja en Waar ik ook ga werd een deel van de oplage op luxer papier gedrukt, genummerd en gesigneerd door de dichter. (Diverse exemplaren staan hier in de kast.)
Zelfportret voor haar is de vierde bundel - bij De Jong residerend onder nummer 541. De acht sonnetten in dit bijna vierkante boekje schreef A. Marja in betrekkelijk isolement: vanwege ernstige problemen met zijn darmen woonde de dichter bij zijn vader, dominee Mooij in Yerseke. Zijn geliefde bleef achter in Groningen. Voor haar heeft Marja in november 1943 dit poëtische zelfportret geschreven. Sombere gedichten.
De titelpagina geeft geen plaatsnaam, maar alleen de uitgever: In agris occupatis. Geleid door een driemanschap nam in deze uitgave Marja het voortouw. Hij vond in Yerseke een drukker bereid om de clandestiene bundel te verzorgen. De heer E.Th. Zoeteweij moest de gedichten met de hand zetten, maar door het gebrek aan loden letters kon hij niet meer dan twee gedichten tegelijk drukken. Zoeteweij was gedwongen om na voldoende afdrukken het zetsel weer te distribueren en de volgende twee gedichten te zetten en te drukken.
A. Marja kreeg de eerste exemplaren van zijn nieuwe bundel onder ogen op 14 maart 1944. Alle honderd exemplaren van Zelfportret voor haar ('welke niet in de handel komen') heeft hij toen in het colofon Arabisch genummerd en Hollands gesigneerd. De datum staat vast: aan verschillende vrienden stuurde hij het bundeltje toe, op de Franse titel voorzien van vergelijkbare opdrachten en nogmaals gesigneerd met dezelfde datum. (Ferdinand Langen schonk mij ooit zijn exemplaar.)
Dit is geen wonder van typografie. Zelfportret voor haar is eenvoudig met blauwe inkt gedrukt in een onopvallende cursief op dun houthoudend papier. Vier velletjes, een grijzig kaftje, twee nietjes. Andere uitgaven van In agris occupatis hebben ten minste een kleurrijk druksel van H.N. Werkman voorop. Hier alleen auteur en titel. Het colofon toont misschien een beetje verbeelding: het is in de vorm van een op de punt staande driehoek gezet.
Wat Dirk de Jong niet wist en wat ik onlangs per abuis ontdekte: Zoeteweij drukte er, naast de 100 reguliere exemplaren, een paar op papier van een betere, zwaardere kwaliteit ('gehammertes'). Het boekje is millimeters groter en keurig met een koordje gebonden. Luxe-exemplaren bestemd voor de auteur? (Ik ben in het gelukkige bezit van twee stuks, beide met opdracht, gesigneerd op 14 maart 1944, in het colofon genummerd 'IV' respectievelijk 'IX'.)
1 mei 2013
W.F. Hermans: 'inderdaad zeer jong, onervaren en onrijp'
Verliefd op dat leuke meisje van de boekhandel. Vroeg of laat overkomt het elke bibliofiel. Aan het begin van zijn schrijversbestaan had Willem Frederik Hermans het flink te pakken.
In 1944 moet Hermans, tijdens een bezoek aan het kantoor van de Amsterdamse boekhandelaar en uitgever A.A. Balkema, door de bliksem zijn getroffen. Een vrouwelijke medewerker, begin twintig, schrijft een nota voor Hermans uit en zet meteen zijn hart in brand. Aan een vriend, de dichter Adriaan Morriën, vraagt Hermans om een ontmoeting te arrangeren. Het gebeurt niet. Bijna een jaar later, op 6 en 15 april 1945, schrijft Hermans twee lange liefdesbrieven aan Elly Freem.
'Brieven aan een onbekende zijn mij een gruwel. Brieven van onbekenden ook, want ik ontvang ze nooit. Waarom ik u schrijf, vereischt dus toelichting en bewijsvoering dat u mij niet onbekend bent.' In de eerste brief kleedt Hermans zijn verzoek tot nadere kennismaking omstandig in. Op een hoogdravende toon probeert Hermans de jongedame van zijn goede bedoelingen te overtuigen: 'Als gramschap U bevangt, zal het mij aangenaam zijn wanneer die alleen mij treft; ik raak in geestdrift voor alles wat mij treft en tot u behoort. Maar waarom? Niets ligt mij verder dan een aanval op uw sereniteit. De eenige sereniteit welke in gevaar verkeert, is die van mijzelf en zelfs dat is niet mìjn schuld....'
Elly Freem antwoordt afwijzend. Haar affaire met de criticus D.A.M. Binnendijk wil ze niet op het spel zetten. Ze valt bovendien op oude(re) mannen: Binnendijk is bijna twintig jaar ouder, Hermans is zelfs een jaartje jonger dan zij.
Maar Hermans ('inderdaad zeer jong, onervaren en onrijp') geeft zich niet gewonnen. Zijn tweede brief is ronduit lyrisch: 'Wat zal ik zeggen over de ervaring? Ervaring is een bedekking en een vervlakking, waarmee de ouderdom zich maskeert als een park met herfstblaren, die immers alles één toon geven, de parken, de paden, de spiegels der vijvers zelfs. (...) Ervaring maakt hard. De vereelte hand is ervaren en er zijn mannen die van het vele zoenen eelt op hun lippen hebben gekregen. (...) Ervaring is een geestelijke verstarring, routine. Het meest ervaren wezen is de machine die op alles wat hem wedervaart feilloos, doch zonder variaties, reageert.'
Tja. In zijn belangrijkste boeken is de Tweede Wereldoorlog een groot thema, maar in de dagen rond de bevrijding van Nederland was de schrijver zelf druk bezig een meisje te versieren. Ik verheug me op de contextuele aanmerkingen van Willem Otterspeer in De mislukkingskunstenaar, het nog te verschijnen eerste deel van zijn Hermans-biografie. Otterspeer moet al langer van deze mislukte versierpoging op de hoogte zijn; het Letterkundig Museum bewaart drie (andere) brieven van Hermans aan Freem, eveneens uit 1945. De handgeschreven liefdesbrieven, waaruit hierboven is geciteerd, worden eind mei in Haarlem geveild. De inzet is 1500 euro.
De beoogde bemiddelaar Adriaan Morriën herinnerde zich later: 'Hermans heeft erg achter Elly aan gezeten'. Ook een collega van Elly Freem wist de hevige verliefdheid van Hermans nog te memoreren: 'Hij bracht eens een prachtige bloem voor haar mee; een soort vogelbek, een tropische plant. Een stille hommage; het was een sombere minnaar; uit de verte. Elly was een beroemde schoonheid in Amsterdam; voor haar viel iedereen'.
Hermans' bewogen brieven haalden niets uit, hoewel juffrouw Freem en hij in oktober 1945 eenmaal op date gingen. Twee jaar later trouwde Elly Freem met Hans Jaffé, conservator van het Stedelijk Museum Amsterdam. In 1950 vroeg de schrijver Emmy Meurs ten huwelijk - met succes.
In 1944 moet Hermans, tijdens een bezoek aan het kantoor van de Amsterdamse boekhandelaar en uitgever A.A. Balkema, door de bliksem zijn getroffen. Een vrouwelijke medewerker, begin twintig, schrijft een nota voor Hermans uit en zet meteen zijn hart in brand. Aan een vriend, de dichter Adriaan Morriën, vraagt Hermans om een ontmoeting te arrangeren. Het gebeurt niet. Bijna een jaar later, op 6 en 15 april 1945, schrijft Hermans twee lange liefdesbrieven aan Elly Freem.
'Brieven aan een onbekende zijn mij een gruwel. Brieven van onbekenden ook, want ik ontvang ze nooit. Waarom ik u schrijf, vereischt dus toelichting en bewijsvoering dat u mij niet onbekend bent.' In de eerste brief kleedt Hermans zijn verzoek tot nadere kennismaking omstandig in. Op een hoogdravende toon probeert Hermans de jongedame van zijn goede bedoelingen te overtuigen: 'Als gramschap U bevangt, zal het mij aangenaam zijn wanneer die alleen mij treft; ik raak in geestdrift voor alles wat mij treft en tot u behoort. Maar waarom? Niets ligt mij verder dan een aanval op uw sereniteit. De eenige sereniteit welke in gevaar verkeert, is die van mijzelf en zelfs dat is niet mìjn schuld....'
Elly Freem antwoordt afwijzend. Haar affaire met de criticus D.A.M. Binnendijk wil ze niet op het spel zetten. Ze valt bovendien op oude(re) mannen: Binnendijk is bijna twintig jaar ouder, Hermans is zelfs een jaartje jonger dan zij.
Maar Hermans ('inderdaad zeer jong, onervaren en onrijp') geeft zich niet gewonnen. Zijn tweede brief is ronduit lyrisch: 'Wat zal ik zeggen over de ervaring? Ervaring is een bedekking en een vervlakking, waarmee de ouderdom zich maskeert als een park met herfstblaren, die immers alles één toon geven, de parken, de paden, de spiegels der vijvers zelfs. (...) Ervaring maakt hard. De vereelte hand is ervaren en er zijn mannen die van het vele zoenen eelt op hun lippen hebben gekregen. (...) Ervaring is een geestelijke verstarring, routine. Het meest ervaren wezen is de machine die op alles wat hem wedervaart feilloos, doch zonder variaties, reageert.'
Tja. In zijn belangrijkste boeken is de Tweede Wereldoorlog een groot thema, maar in de dagen rond de bevrijding van Nederland was de schrijver zelf druk bezig een meisje te versieren. Ik verheug me op de contextuele aanmerkingen van Willem Otterspeer in De mislukkingskunstenaar, het nog te verschijnen eerste deel van zijn Hermans-biografie. Otterspeer moet al langer van deze mislukte versierpoging op de hoogte zijn; het Letterkundig Museum bewaart drie (andere) brieven van Hermans aan Freem, eveneens uit 1945. De handgeschreven liefdesbrieven, waaruit hierboven is geciteerd, worden eind mei in Haarlem geveild. De inzet is 1500 euro.
De beoogde bemiddelaar Adriaan Morriën herinnerde zich later: 'Hermans heeft erg achter Elly aan gezeten'. Ook een collega van Elly Freem wist de hevige verliefdheid van Hermans nog te memoreren: 'Hij bracht eens een prachtige bloem voor haar mee; een soort vogelbek, een tropische plant. Een stille hommage; het was een sombere minnaar; uit de verte. Elly was een beroemde schoonheid in Amsterdam; voor haar viel iedereen'.
Hermans' bewogen brieven haalden niets uit, hoewel juffrouw Freem en hij in oktober 1945 eenmaal op date gingen. Twee jaar later trouwde Elly Freem met Hans Jaffé, conservator van het Stedelijk Museum Amsterdam. In 1950 vroeg de schrijver Emmy Meurs ten huwelijk - met succes.
21 april 2013
Herostratos
De gek en de gevangenis, ze hebben de warme belangstelling van Menno Wigman. Hij groeide op in Santpoort, een dorp aan de kust, bevolkt door psychiatrisch patiënten. In de prozabundel Red ons van de dichters (2010) gaat een heel hoofdstuk over gevangenissen: de dichter bezocht de bajes van Oscar Wilde en inspecteerde de cel van Paul Verlaine. In de proloog van de afgelopen Gedichtendag verklapte Wigman dat hij een poëzieworkshop in de Bijlmerbajes zou geven. En de laatste drie maanden van 2005 bracht hij door tussen de verloren zielen op de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder. Het resultaat, Dossier Wigman (2006), bestaat uit een dagboek en een bloemlezing met 'lyriek uit de kliniek'.
Menno Wigman is ook de dichter die ons in zijn poëzie alledaagse gekte en steeds minder onschuldige gekkigheid laat zien, 'de krankzinnigheid die leven heet'.
Voor zijn laatste gedicht, geschreven aan de vooravond van de inhuldiging van Koning Willem-Alexander, is Wigman in het hoofd van een gek gekropen. Margedrukker Wolfram Swets verzorgde de uitgave 'met royaal genoegen' in slechts 38 exemplaren. Alleen het noodzakelijke colofon van deze plano is met loden letters gedrukt; het gedicht zelf - evenals titel, auteursnaam en datering - is door de dichter met de hand uitgeschreven. Met een rood potlood en een zwart potlood. 'Herostratos' heet het.
Wat deze oude jonge Griek ermee te maken heeft? Hij stichtte brand in ruil voor eeuwige roem. Het zogenoemde Syndroom van Herostratos - Terrorism for self-glorification - is actueel gebleven. Karst Tates is er, na zijn aanslag in Apeldoorn, wel mee geassocieerd.
Wigmans vers is tegelijk fascinerend en meedogenloos. Met een esthetisch randje. Deze veertien dichtregels in koelen bloede navertellen, dat zou zonde zijn. Denk aan de Damschreeuwer die op 4 mei bij de laatste klokslag nog even zijn keel schraapt (volgt een citaat verluchtigd met een woord als god, ras, haat). 'Herostratos' voorspelt weinig goeds voor de aanstaande laatste Koninginnedag. Aan 'grand old Google' de eer om het gedicht te besluiten.
Menno Wigman is ook de dichter die ons in zijn poëzie alledaagse gekte en steeds minder onschuldige gekkigheid laat zien, 'de krankzinnigheid die leven heet'.
Voor zijn laatste gedicht, geschreven aan de vooravond van de inhuldiging van Koning Willem-Alexander, is Wigman in het hoofd van een gek gekropen. Margedrukker Wolfram Swets verzorgde de uitgave 'met royaal genoegen' in slechts 38 exemplaren. Alleen het noodzakelijke colofon van deze plano is met loden letters gedrukt; het gedicht zelf - evenals titel, auteursnaam en datering - is door de dichter met de hand uitgeschreven. Met een rood potlood en een zwart potlood. 'Herostratos' heet het.
Wat deze oude jonge Griek ermee te maken heeft? Hij stichtte brand in ruil voor eeuwige roem. Het zogenoemde Syndroom van Herostratos - Terrorism for self-glorification - is actueel gebleven. Karst Tates is er, na zijn aanslag in Apeldoorn, wel mee geassocieerd.
Wigmans vers is tegelijk fascinerend en meedogenloos. Met een esthetisch randje. Deze veertien dichtregels in koelen bloede navertellen, dat zou zonde zijn. Denk aan de Damschreeuwer die op 4 mei bij de laatste klokslag nog even zijn keel schraapt (volgt een citaat verluchtigd met een woord als god, ras, haat). 'Herostratos' voorspelt weinig goeds voor de aanstaande laatste Koninginnedag. Aan 'grand old Google' de eer om het gedicht te besluiten.
4 april 2013
Investments
In een aflevering van Murder, she wrote heeft uitgever Christopher Bundy veel vijanden. Wanneer Jessica Fletcher te gast is op zijn landgoed, laat de heer des huizes lang op zich wachten. Hij arriveert uiteindelijk per helikopter. De landingsplek is net naast het zwembad. Hij schudt de hand van de detectiveschrijfster en loopt door. Geen tijd. De butler trakteert Fletcher op een rondleiding over het terrein. Pas in de loop van de avond heeft Bundy tijd om zijn gast te ontvangen. In de bibliotheek, natuurlijk. De hardvochtige uitgever is een trotse bibliofiel.
'These are all first editions of Arthur Conan Doyle. Priceless.'
'You must read a lot.'
'No, I don't have time for reading. I'm a collector. These are investments.'
De camera zoomt in op de frons van Jessica Fletcher, maar de kijker weet wel beter. Leer mij boekenverzamelaars kennen: kopen kopen, niet lezen.
Voor het slapengaan sluipt Fletcher naar de bibliotheek om een boek te lenen. Ze weet heel goed dat camera's elke beweging van haar volgen. De volgende morgen houdt het nichtje van de uitgever zich in de bibliotheek op. Ze bladert als een bezetene door de Conan Doyle's. Dan klinkt er een schot.
Uitgever vermoord. Collectie getermineerd. Fletcher verstandig: videoband verwisseld.
'These are all first editions of Arthur Conan Doyle. Priceless.'
'You must read a lot.'
'No, I don't have time for reading. I'm a collector. These are investments.'
De camera zoomt in op de frons van Jessica Fletcher, maar de kijker weet wel beter. Leer mij boekenverzamelaars kennen: kopen kopen, niet lezen.
Voor het slapengaan sluipt Fletcher naar de bibliotheek om een boek te lenen. Ze weet heel goed dat camera's elke beweging van haar volgen. De volgende morgen houdt het nichtje van de uitgever zich in de bibliotheek op. Ze bladert als een bezetene door de Conan Doyle's. Dan klinkt er een schot.
Uitgever vermoord. Collectie getermineerd. Fletcher verstandig: videoband verwisseld.
2 april 2013
Plakkers
De Boekenwereld is groter en dikker geworden. En voortaan krijgen abonnees een grafisch cadeautje. Het eerste nieuwe nummer bevat, los ingevoegd, een groot affiche van het omslag: Marilyn Monroe leest Ulysses. In het redactioneel roepen Freek Heijbroek, Marc Beerens en Garrelt Verhoeven een prijsvraag in het leven: 'hang dit fraaie affiche voor uw raam, prik het op bij uw favoriete boekwinkel, breng het naar de Openbare Bibliotheek, spijker het op de kerkdeur of plak het wild waar niet geplakt mag worden'. De vijf origineelste plakkers (m/v), die een foto van hun affiche kunnen tonen, ontvangen een exemplaar van 1001 vrouwen.
Genoeg plekken in de buurt waar het affiche niet zou misstaan. In Leescafé Belcampo, naast het onlangs opnieuw onthulde fotoportret. Op de grootste eik in het Noorderplantsoen. In het portiek van boekhandel Godert Walter, natuurlijk. Of op de deur van het mooiste transformatorhuisje.
Maar De Boekenwereld-abonnees in Stad krijgen het zwaar. Ze moeten de mannen en vrouwen van Stadstoezicht zien te ontlopen. Dit weekend inventariseerde Dagblad van het Noorden, over een volle pagina, de vele klachten over Stadstoezicht. Veel ergernissen van hondenbezitters, maar ook terechte verontwaardiging van studenten van kunstacademie Minerva. Ter nagedachtenis aan C.O. Jellema hadden zij Jellema's gedicht 'Op de kwelders' elfmaal als typografisch affiche vormgegeven en deze met punaises aan een paar bomen bevestigd. Stadstoezicht slingerde drie studenten meteen op de bon.
Vanwege aanhoudende griepverschijnselen blijf ik, ook abonnee, nog even binnen. Wildplakken binnenshuis, dan maar. Ze zal het misschien niet leuk vinden, maar Marilyn Monroe zit voorlopig achter het raam. Met vier stukjes plakband.
Genoeg plekken in de buurt waar het affiche niet zou misstaan. In Leescafé Belcampo, naast het onlangs opnieuw onthulde fotoportret. Op de grootste eik in het Noorderplantsoen. In het portiek van boekhandel Godert Walter, natuurlijk. Of op de deur van het mooiste transformatorhuisje.
Maar De Boekenwereld-abonnees in Stad krijgen het zwaar. Ze moeten de mannen en vrouwen van Stadstoezicht zien te ontlopen. Dit weekend inventariseerde Dagblad van het Noorden, over een volle pagina, de vele klachten over Stadstoezicht. Veel ergernissen van hondenbezitters, maar ook terechte verontwaardiging van studenten van kunstacademie Minerva. Ter nagedachtenis aan C.O. Jellema hadden zij Jellema's gedicht 'Op de kwelders' elfmaal als typografisch affiche vormgegeven en deze met punaises aan een paar bomen bevestigd. Stadstoezicht slingerde drie studenten meteen op de bon.
Vanwege aanhoudende griepverschijnselen blijf ik, ook abonnee, nog even binnen. Wildplakken binnenshuis, dan maar. Ze zal het misschien niet leuk vinden, maar Marilyn Monroe zit voorlopig achter het raam. Met vier stukjes plakband.
28 maart 2013
Alliantie
Elke geschiedenis van een tijdschrift bestaat uit een reeks doorstarten, heroprichtingen, credo's en formaatwijzigingen. Maarten Asscher plaatste de lancering van het eerste nieuwe nummer van De Boekenwereld gistermiddag in een breder perspectief. Hij was zeer enthousiast over het eerste nummer in de nieuwe stijl, maar bleef kritisch: 'In elk nummer een verbluffend artikel, dat maakt een tijdschrift echt goed.'
Freek Heijbroek, founding father van De Boekenwereld, haalde in een korte toespraak herinneringen op aan zijn ontmoetingen met bibliothecaris en hoogleraar Herman de la Fontaine Verwey (1901-1989), wiens memoires in de beginjaren van het tijdschrift grote indruk maakten. De bundeling van deze stukken werd een bestseller. Heijbroek overhandigde het eerste exemplaar van De Boekenwereld, jaargang 29, nummer 3, aan Lidewijde Paris.
Paris heeft aan het hoofd van verschillende literaire uitgeverijen gestaan, maar begon haar carrière in de boekenwereld bij een antiquariaat. 'Bij André Swertz in Utrecht maakte ik titelbeschrijvingen. Geweldig vond ik dat, de hele dag met boeken werken. Elk boek opende een wereld voor mij. Ik las veel onder werktijd. Tot André, toen ik weer in een boek verdiept was, zei: "Het hoeft niet zo precies, hoor." Gelukkig was André veel op pad.' Ze voelde zich vereerd met het eerste exemplaar en tegelijk wat beschaamd. 'Ik sta hier, maar ik ben noch Vriend van de Bijzondere Collecties noch abonnee van De Boekenwereld. Bij deze geef ik me voor beide op!'
Naast Asscher namen Tracy Metz en Jeffrey Bosch deel aan een discussie over het papieren tijdschrift in een digitale wereld. Metz prees de alliantie van De Boekenwereld met Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Gespreksleider Steph Scholten merkte op dat de rijke collectie aan de Oude Turfmarkt in ieder geval garant staat voor de allermooiste afbeeldingen. Men was het erover eens dat beeld, zowel bij boeken als tijdschriften, een steeds grotere rol gaat spelen.
En zonder internet en sociale media is een boekentijdschrift nergens. Vanaf heden is De Boekenwereld te volgen op Facebook en Twitter.
Na de toespraken en discussie was het tijd voor borrelen en bladeren. Mevrouw Isa de la Fontaine Verwey moest wennen aan het nieuwe formaat en de eigentijdse vormgeving van De Boekenwereld, maar dacht wel dat er 'iets behoorlijks' in stond. Oud-medewerkers waren blij dat het tijdschrift nu eindelijk een rechte rug heeft. Een Amsterdamse boekwetenschapper keek wat argwanend naar Marilyn Monroe op het omslag, maar haalde al snel opgelucht adem. 'De Boekenwereld is nog steeds een inhoudelijk, degelijk blad.'
Freek Heijbroek, founding father van De Boekenwereld, haalde in een korte toespraak herinneringen op aan zijn ontmoetingen met bibliothecaris en hoogleraar Herman de la Fontaine Verwey (1901-1989), wiens memoires in de beginjaren van het tijdschrift grote indruk maakten. De bundeling van deze stukken werd een bestseller. Heijbroek overhandigde het eerste exemplaar van De Boekenwereld, jaargang 29, nummer 3, aan Lidewijde Paris.
Paris heeft aan het hoofd van verschillende literaire uitgeverijen gestaan, maar begon haar carrière in de boekenwereld bij een antiquariaat. 'Bij André Swertz in Utrecht maakte ik titelbeschrijvingen. Geweldig vond ik dat, de hele dag met boeken werken. Elk boek opende een wereld voor mij. Ik las veel onder werktijd. Tot André, toen ik weer in een boek verdiept was, zei: "Het hoeft niet zo precies, hoor." Gelukkig was André veel op pad.' Ze voelde zich vereerd met het eerste exemplaar en tegelijk wat beschaamd. 'Ik sta hier, maar ik ben noch Vriend van de Bijzondere Collecties noch abonnee van De Boekenwereld. Bij deze geef ik me voor beide op!'
Naast Asscher namen Tracy Metz en Jeffrey Bosch deel aan een discussie over het papieren tijdschrift in een digitale wereld. Metz prees de alliantie van De Boekenwereld met Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Gespreksleider Steph Scholten merkte op dat de rijke collectie aan de Oude Turfmarkt in ieder geval garant staat voor de allermooiste afbeeldingen. Men was het erover eens dat beeld, zowel bij boeken als tijdschriften, een steeds grotere rol gaat spelen.
En zonder internet en sociale media is een boekentijdschrift nergens. Vanaf heden is De Boekenwereld te volgen op Facebook en Twitter.
Na de toespraken en discussie was het tijd voor borrelen en bladeren. Mevrouw Isa de la Fontaine Verwey moest wennen aan het nieuwe formaat en de eigentijdse vormgeving van De Boekenwereld, maar dacht wel dat er 'iets behoorlijks' in stond. Oud-medewerkers waren blij dat het tijdschrift nu eindelijk een rechte rug heeft. Een Amsterdamse boekwetenschapper keek wat argwanend naar Marilyn Monroe op het omslag, maar haalde al snel opgelucht adem. 'De Boekenwereld is nog steeds een inhoudelijk, degelijk blad.'
25 maart 2013
(N.pl., n.pr., c. 2007)
In de Leidse literaire handtekeningenlawine, aangekondigd voor dinsdagavond 7 mei, zitten zeker 74 signaturen van Benno Barnard. Zijn hele werk, in handelsedities en bibliofiele uitgaven, komt onder de hamer. Enkele kilo's verspreid werk worden aan sommige kavels toegevoegd. Elke snipper is door de auteur gewaarmerkt.
Ik dacht dat ik aardig bij was met mijn verzameling Barnard, maar Gert Boonekamp is absoluut mijn meerdere. Geen vertaling heeft hij gemist, geen bloemlezing overgeslagen. 'The Boonekamp Collection' omvat honderden en honderden naoorlogse dichtbundels en romans, stuk voor stuk voorzien van een handtekening en/of een opdracht. Auteurs, wier achternaam begint met A-K, zijn het eerst aan de beurt. De veilingkavels zijn zo omvangrijk dat hooguit vijf boektitels met name genoemd worden. De overige boeken blijven, ook na autopsie, anoniem. Een afsluitend getal geeft aan uit hoeveel boeken de kavel in totaal bestaat.
In twee kavels zit een vouwblad met een gedicht van Benno Barnard verstopt. Uit de veilingcatalogus: 'Id. "Laatste gedichten" van Hans Andreus. (N.pl., n.pr., c. 2007). Fold. leaf w. poem. "Gedrukt voor de dichter in vijf exemplaren".' Het veilinghuis heeft op het vouwblad geen plaats van uitgave gevonden, de drukker is niet achterhaald en van het jaar van uitgave rest slechts een vermoeden.
Boonekamp is een navorser. In zijn zoektocht naar publicaties in kranten en tijdschriften is hij gestructureerd te werk gegaan. Dat laten de dikke knipselmappen in zijn collectie zien. Ik moet het zelf meer van het toeval hebben. In 2005, toen de Universiteitsbibliotheek Groningen vele literaire tijdschriften nog in een open opstelling had staan, vond ik per ongeluk een gedicht van Benno Barnard. Negen regels poëzie, onderaan pagina 66 van In de Waagschaal, jaargang 7, nummer 3 (8 april 1978). De twee volgende pagina's hebben, eveneens van de hand van Barnard, een bespreking van de postume bundel Laatste gedichten van Hans Andreus, onder de titel 'Mantiek en semantiek'.
Het negenregelige vers haalde Barnards debuutbundel Een engel van Rossetti (1981) niet en bleef ook later ongebundeld. Ik besloot daarom zelf de eerste druk te verzorgen. En zo ontstond, in 2005 nog, "Laatste gedichten" van Hans Andreus. Een roofdruk, strikt genomen, maar wel geautoriseerd.
Geautoriseerd? Met het vers geconfronteerd, in december 2007, bleek de dichter, weliswaar 'geamuseerd', er geen enkele herinnering aan te hebben. 'Uit welk Pleistoceen dateert het? En In de Waagschaal? Dat moet dan haast via mijn vader zijn gelopen.' Willem Barnard zat inderdaad in de redactie van het tijdschrift.
Deze bibliografische achtergronden, gratis en voor niets, voor de koper(s) van de kavels met het vouwblad. Een gedicht, nog vroeger gepubliceerd dan '"Laatste gedichten" van Hans Andreus', ben ik sindsdien niet tegengekomen. Met het vouwblad heeft de koper dus, min of meer, het debuut van Benno Barnard in handen.
Ik dacht dat ik aardig bij was met mijn verzameling Barnard, maar Gert Boonekamp is absoluut mijn meerdere. Geen vertaling heeft hij gemist, geen bloemlezing overgeslagen. 'The Boonekamp Collection' omvat honderden en honderden naoorlogse dichtbundels en romans, stuk voor stuk voorzien van een handtekening en/of een opdracht. Auteurs, wier achternaam begint met A-K, zijn het eerst aan de beurt. De veilingkavels zijn zo omvangrijk dat hooguit vijf boektitels met name genoemd worden. De overige boeken blijven, ook na autopsie, anoniem. Een afsluitend getal geeft aan uit hoeveel boeken de kavel in totaal bestaat.
In twee kavels zit een vouwblad met een gedicht van Benno Barnard verstopt. Uit de veilingcatalogus: 'Id. "Laatste gedichten" van Hans Andreus. (N.pl., n.pr., c. 2007). Fold. leaf w. poem. "Gedrukt voor de dichter in vijf exemplaren".' Het veilinghuis heeft op het vouwblad geen plaats van uitgave gevonden, de drukker is niet achterhaald en van het jaar van uitgave rest slechts een vermoeden.
Boonekamp is een navorser. In zijn zoektocht naar publicaties in kranten en tijdschriften is hij gestructureerd te werk gegaan. Dat laten de dikke knipselmappen in zijn collectie zien. Ik moet het zelf meer van het toeval hebben. In 2005, toen de Universiteitsbibliotheek Groningen vele literaire tijdschriften nog in een open opstelling had staan, vond ik per ongeluk een gedicht van Benno Barnard. Negen regels poëzie, onderaan pagina 66 van In de Waagschaal, jaargang 7, nummer 3 (8 april 1978). De twee volgende pagina's hebben, eveneens van de hand van Barnard, een bespreking van de postume bundel Laatste gedichten van Hans Andreus, onder de titel 'Mantiek en semantiek'.
Het negenregelige vers haalde Barnards debuutbundel Een engel van Rossetti (1981) niet en bleef ook later ongebundeld. Ik besloot daarom zelf de eerste druk te verzorgen. En zo ontstond, in 2005 nog, "Laatste gedichten" van Hans Andreus. Een roofdruk, strikt genomen, maar wel geautoriseerd.
Geautoriseerd? Met het vers geconfronteerd, in december 2007, bleek de dichter, weliswaar 'geamuseerd', er geen enkele herinnering aan te hebben. 'Uit welk Pleistoceen dateert het? En In de Waagschaal? Dat moet dan haast via mijn vader zijn gelopen.' Willem Barnard zat inderdaad in de redactie van het tijdschrift.
Deze bibliografische achtergronden, gratis en voor niets, voor de koper(s) van de kavels met het vouwblad. Een gedicht, nog vroeger gepubliceerd dan '"Laatste gedichten" van Hans Andreus', ben ik sindsdien niet tegengekomen. Met het vouwblad heeft de koper dus, min of meer, het debuut van Benno Barnard in handen.
21 maart 2013
Pretenties
Van de mooiste romancyclus in de Nederlandse literatuur verschijnt in mei een 'eenmalige, prachtig vormgegeven editie'. De Bezige Bij gaat 'alle zeven delen' van De tandeloze tijd, in een nieuwe vormgeving, opnieuw uitgeven. In een zomerprospectus is sprake van een 'gebonden editie met omslag', genummerd en gesigneerd door de auteur.
Alle zeven delen tot dusver: A.F.Th. van der Heijden heeft zijn cyclus nog niet voltooid.
Brigitte Slangen tekent voor de nieuwe omslagen. Ze ogen, op het eerste gezicht, wat flets. De typografie is klassiek. Slangen plaatst op het omslag telkens een zwart-witfoto van een natuurtafereeltje (bloem, zee, berg, rivier) met middenin een titeletiket in drie complementaire pasteltinten. Als dit niet enthousiast klinkt, dan is dat zo bedoeld.
Ik kan De tandeloze tijd, zoals ik met de cyclus heb kennisgemaakt, niet uit mijn hoofd zetten. De smalle, schreefloze letters naast een portretfotootje van de auteur op een hardgroene of -rode achtergrond, daaronder de naam van de cyclus in uit kranten gescheurde letters (per deel verschillend). Deze iconische omslagontwerpen komen uit de koker van Ary Langbroek, alias J. Tapperwijn. De vette krantenkopletters suggereerde Van der Heijden in 1987 zelf. De betrokkenheid van deze auteur met de vormgeving van zijn werk is groot.
Het is te hopen dat De Bezige Bij deze magistrale boeken werkelijk fraai uitgeeft. Voor de vormgeving schakelt de uitgeverij meestal grote namen in. Maar de laatste jaren wordt er op de uitvoering van de boeken (niet alleen bij De Bezige Bij) flink bezuinigd. De belangrijke briefwisseling Hermans-Reve Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel (2008) is zo'n 'gebonden editie met omslag': voor de band is karton in plaats van linnen gebruikt, het binnenwerk bestaat niet uit ingenaaide katernen, maar is als blok afgesneden vellen op een los strookje geplakt.
Een genummerde oplaag en des schrijvers signatuur: voor een gewone uitgeverij zijn dat bibliofiele pretenties. Een boekenminnaar zal echter niet blij worden van een handtekening in een boek dat uit tweederangs materiaal is samengesteld en goedkoop is afgewerkt. Geen 'luxe jasje' kan prutswerk verhullen.
Alle zeven delen tot dusver: A.F.Th. van der Heijden heeft zijn cyclus nog niet voltooid.
Brigitte Slangen tekent voor de nieuwe omslagen. Ze ogen, op het eerste gezicht, wat flets. De typografie is klassiek. Slangen plaatst op het omslag telkens een zwart-witfoto van een natuurtafereeltje (bloem, zee, berg, rivier) met middenin een titeletiket in drie complementaire pasteltinten. Als dit niet enthousiast klinkt, dan is dat zo bedoeld.
Ik kan De tandeloze tijd, zoals ik met de cyclus heb kennisgemaakt, niet uit mijn hoofd zetten. De smalle, schreefloze letters naast een portretfotootje van de auteur op een hardgroene of -rode achtergrond, daaronder de naam van de cyclus in uit kranten gescheurde letters (per deel verschillend). Deze iconische omslagontwerpen komen uit de koker van Ary Langbroek, alias J. Tapperwijn. De vette krantenkopletters suggereerde Van der Heijden in 1987 zelf. De betrokkenheid van deze auteur met de vormgeving van zijn werk is groot.
Het is te hopen dat De Bezige Bij deze magistrale boeken werkelijk fraai uitgeeft. Voor de vormgeving schakelt de uitgeverij meestal grote namen in. Maar de laatste jaren wordt er op de uitvoering van de boeken (niet alleen bij De Bezige Bij) flink bezuinigd. De belangrijke briefwisseling Hermans-Reve Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel (2008) is zo'n 'gebonden editie met omslag': voor de band is karton in plaats van linnen gebruikt, het binnenwerk bestaat niet uit ingenaaide katernen, maar is als blok afgesneden vellen op een los strookje geplakt.
Een genummerde oplaag en des schrijvers signatuur: voor een gewone uitgeverij zijn dat bibliofiele pretenties. Een boekenminnaar zal echter niet blij worden van een handtekening in een boek dat uit tweederangs materiaal is samengesteld en goedkoop is afgewerkt. Geen 'luxe jasje' kan prutswerk verhullen.
9 maart 2013
Pro Patria
Een voor het hele begrip van clandestiene en illegale uitgaven onmisbare paragraaf in het hoofdstuk 'Het bijzondere boek in de Tweede Wereldoorlog', in Het ideale boek (2010), is 'Papierschaarste'. Hierin schrijft Sjoerd van Faassen over de door de Duitsers ingestelde papierdistributie, waardoor het voor verzetsdrukkers moeilijker werd om aan pakken papier te komen. De clandestiene drukkers zouden wel gek zijn om hun teksten voor te leggen aan de afdeling Boekwezen van de Kultuurkamer. Er zat dus niets anders op: jatten of creatief zijn.
Zo kende uitgever Bert Bakker jongens op de werkvloer van de papierfabriek Van Gelder, die bereid waren voor tegen de bezetter gerichte uitgaven vellen papier te ontvreemden. De Bezige Bij-oprichter Geert Lubberhuizen roofde in 1943 een papierpakhuis leeg.
De latere voorman van Bruna, Jaap Romijn, stal niet. Terwijl Bert Bakker grote risico's nam om bijvoorbeeld een idioot grote uitgave van gedichten van Bertus Aafjes te kunnen drukken, gebruikte Romijn zijn hersens. In de Hongerwinter bedacht hij de Handpalm-reeks: boekjes zo klein dat je ze in je hand kon verstoppen.
In 1943 drukten de Gebroeders Pelle te Bussum 300 exemplaren van de bundel Maar ja, Marja van A. Marja. Waar uitgever F.G. Kroonder zijn papier haalde, is niet bekend. De eerste 75 exemplaren van de oplage werden gedrukt op 'blauw-grijs, luxe-tekst', terwijl de overige exemplaren werden opgeleverd op eenvoudig en authentiek 'bruin pakpapier'. Deze laatste exemplaren kregen ook andere schutbladen mee: donkerbruine vellen met een motiefje. Het doet een beetje aan vooroorlogs behang denken.
Margedrukkers, die wel weten wat private press-verzamelaars willen, splitsen hun oplagen op in gewone, luxe en super-de-luxe exemplaren. Elk deel van de oplage wordt gedrukt op een verschillende papiersoort. Sinds Stols, in zijn boekverzorging een halve Fransoos, is het onderscheid een traditie. De mooiste boeken van A.A.M. Stols zijn gedrukt op keizerlijk Japans.
Ik bedenk nu dat die papiertraditie natuurlijk een uitkomst was voor clandestiene drukkers. Nu hoefden ze niet per se een grote voorraad eensoortig papier te bemachtigen, maar konden ze zich ook redden met een restje van dit en een stapeltje van dat. Van Gelder, Simili Japon, Pannekoek, Register Vergé: allemaal geschikt, als je je oplagen en je colofons er maar op aanpaste.
En toch. Dat verzet moet heel diep gezeten hebben. Illegale uitgevers drukten het liefst op papier des vaderlands. Het dichtbundeltje Novemberland (1943) van Koos Schuur is, aldus het colofon, 'gedrukt in een oplaag van 100 exemplaren, waarvan 50 op Hollandsch papier'. Als ik de eerste pagina van mijn Novemberland tegen het licht houd, zie ik het watermerk: een Nederlandse leeuw, waarboven de woorden 'Pro Patria'.
Zo kende uitgever Bert Bakker jongens op de werkvloer van de papierfabriek Van Gelder, die bereid waren voor tegen de bezetter gerichte uitgaven vellen papier te ontvreemden. De Bezige Bij-oprichter Geert Lubberhuizen roofde in 1943 een papierpakhuis leeg.
De latere voorman van Bruna, Jaap Romijn, stal niet. Terwijl Bert Bakker grote risico's nam om bijvoorbeeld een idioot grote uitgave van gedichten van Bertus Aafjes te kunnen drukken, gebruikte Romijn zijn hersens. In de Hongerwinter bedacht hij de Handpalm-reeks: boekjes zo klein dat je ze in je hand kon verstoppen.
In 1943 drukten de Gebroeders Pelle te Bussum 300 exemplaren van de bundel Maar ja, Marja van A. Marja. Waar uitgever F.G. Kroonder zijn papier haalde, is niet bekend. De eerste 75 exemplaren van de oplage werden gedrukt op 'blauw-grijs, luxe-tekst', terwijl de overige exemplaren werden opgeleverd op eenvoudig en authentiek 'bruin pakpapier'. Deze laatste exemplaren kregen ook andere schutbladen mee: donkerbruine vellen met een motiefje. Het doet een beetje aan vooroorlogs behang denken.
Margedrukkers, die wel weten wat private press-verzamelaars willen, splitsen hun oplagen op in gewone, luxe en super-de-luxe exemplaren. Elk deel van de oplage wordt gedrukt op een verschillende papiersoort. Sinds Stols, in zijn boekverzorging een halve Fransoos, is het onderscheid een traditie. De mooiste boeken van A.A.M. Stols zijn gedrukt op keizerlijk Japans.
Ik bedenk nu dat die papiertraditie natuurlijk een uitkomst was voor clandestiene drukkers. Nu hoefden ze niet per se een grote voorraad eensoortig papier te bemachtigen, maar konden ze zich ook redden met een restje van dit en een stapeltje van dat. Van Gelder, Simili Japon, Pannekoek, Register Vergé: allemaal geschikt, als je je oplagen en je colofons er maar op aanpaste.
En toch. Dat verzet moet heel diep gezeten hebben. Illegale uitgevers drukten het liefst op papier des vaderlands. Het dichtbundeltje Novemberland (1943) van Koos Schuur is, aldus het colofon, 'gedrukt in een oplaag van 100 exemplaren, waarvan 50 op Hollandsch papier'. Als ik de eerste pagina van mijn Novemberland tegen het licht houd, zie ik het watermerk: een Nederlandse leeuw, waarboven de woorden 'Pro Patria'.
3 maart 2013
Doorstart
De voorman van het Belcampo Genootschap condoleerde mij, nadat hij me had gefeliciteerd. Alsof ik mijn collectie boeken, brieven, foto's en tijdschriften van Belcampo niet uit vrije wil had verkocht. Ik wilde ruimte maken in mijn boekenkast. Bovendien had ik zo'n beetje alles wat een Belcampo-verzamelaar wil hebben; een complete verzameling is een dode verzameling. Tijd om andere verzamelaars de mogelijkheid te bieden om dat ene ontbrekende uitgaafje te bemachtigen.
Ik bezat louter topstukken, als ik de krant moet geloven. Het Rijssens Nieuwsblad zag kans om, tussen de uitslagen van de bridgeclub en een verslag van de autobrand in de Nijverheidsstraat door, te berichten over de catalogus Belcampo.
De zaal zat vol bij de doorstart van het Belcampo Genootschap, maar niet iedereen was gelukkig met de plannen. Volgens Coen Peppelenbos ontbrak het de Belcampianen aan ambitie. Zij hadden zich neergelegd bij het feit dat er nooit meer een boek van Belcampo in de boekwinkel zou liggen.
'Zo werd al bij voorbaat vastgesteld dat het uitgeven van het Verzameld Werk van Belcampo onmogelijk was. Waarom? Waarom daar niet over door gepraat? Het moet toch mogelijk zijn om een paar duizend euro, desnoods met crowdfunding, bij elkaar te krijgen en dat werk uit te geven?'
Liever dan een Verzameld Werk zie ik een forse bloemlezing uit Belcampo's allerbeste verhalen, desnoods gekozen door Christiaan Weijts en met een voorwoord van Tommy Wieringa - zoals uitgevers tegenwoordig plegen te doen. Een frisse, toegankelijke blik op een groots oeuvre. Een Verzameld Werk heeft vaak iets van een grafzerk, waaronder je een schrijver voorgoed verstopt. Met een betaalbare bloemlezing kan ook Belcampo een doorstart maken.
Dagdroom: een uitgave van Belcampo's brieven aan vrienden, collega's en fans. Als de catalogus Belcampo al iets blootlegt, dan is het wel Belcampo's epistolaire talent.
Ik bezat louter topstukken, als ik de krant moet geloven. Het Rijssens Nieuwsblad zag kans om, tussen de uitslagen van de bridgeclub en een verslag van de autobrand in de Nijverheidsstraat door, te berichten over de catalogus Belcampo.
De zaal zat vol bij de doorstart van het Belcampo Genootschap, maar niet iedereen was gelukkig met de plannen. Volgens Coen Peppelenbos ontbrak het de Belcampianen aan ambitie. Zij hadden zich neergelegd bij het feit dat er nooit meer een boek van Belcampo in de boekwinkel zou liggen.
'Zo werd al bij voorbaat vastgesteld dat het uitgeven van het Verzameld Werk van Belcampo onmogelijk was. Waarom? Waarom daar niet over door gepraat? Het moet toch mogelijk zijn om een paar duizend euro, desnoods met crowdfunding, bij elkaar te krijgen en dat werk uit te geven?'
Liever dan een Verzameld Werk zie ik een forse bloemlezing uit Belcampo's allerbeste verhalen, desnoods gekozen door Christiaan Weijts en met een voorwoord van Tommy Wieringa - zoals uitgevers tegenwoordig plegen te doen. Een frisse, toegankelijke blik op een groots oeuvre. Een Verzameld Werk heeft vaak iets van een grafzerk, waaronder je een schrijver voorgoed verstopt. Met een betaalbare bloemlezing kan ook Belcampo een doorstart maken.
Dagdroom: een uitgave van Belcampo's brieven aan vrienden, collega's en fans. Als de catalogus Belcampo al iets blootlegt, dan is het wel Belcampo's epistolaire talent.
23 februari 2013
Extra liefhebber
Rond brief 69, in Ik ben een onderling onverzoenlijk ratjetoe, werd ik weer enthousiast.
Chr. J. van Geel reageert in 1970 op de dummy van Het zinrijk (1971), die zijn uitgever Van Oorschot hem had gezonden: 'Groen? Je moet ervan houden. De belettering is mooi en het blauw van de letter ook, maar in combinatie met dit groen verzinkt de auteursnaam wel sterk. Groen is een gevaarlijke kleur'.
Van Geel laat wel vaker zijn gedachten gaan over boekverzorging. Een enkele keer gedraagt hij zich als een bibliofiel. Met de totstandkoming van de bundel Enkele gedichten (1973) bemoeit hij zich flink. Aan een medewerker van uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep: 'Vergeet u niet een tiental exemplaren op een extra mooi papier te laten drukken om in te laten binden voor de extra liefhebber?'
Dat Van Geel zoveel aan te merken had op de drie verschijningsvormen van zijn laatste bundel, zou de lezer zonder Ik ben een onderling onverzoenlijk ratjetoe niet geweten hebben. Voor de rugbelettering van de gebonden editie is een verkeerd corps gebruikt, naam en vignet van de uitgeverij zijn op de titelpagina te groot uitgevallen, het omslag van de ingenaaide editie is te besmettelijk en kwetsbaar. Van Geel voelt zich ook gepasseerd: in de flaptekst heeft hij geen inspraak gehad, het papier voor het binnenwerk van de luxe editie mocht hij niet zelf kiezen.
'En wat kreeg ik? Een van grote onbetrokkenheid blijk gevend bijschrift én ezelsoren'.
Ik kon de gedachte niet onderdrukken dat Enkele gedichten van Chr. J. van Geel een nagel aan zijn doodskist was.
Chr. J. van Geel reageert in 1970 op de dummy van Het zinrijk (1971), die zijn uitgever Van Oorschot hem had gezonden: 'Groen? Je moet ervan houden. De belettering is mooi en het blauw van de letter ook, maar in combinatie met dit groen verzinkt de auteursnaam wel sterk. Groen is een gevaarlijke kleur'.
Van Geel laat wel vaker zijn gedachten gaan over boekverzorging. Een enkele keer gedraagt hij zich als een bibliofiel. Met de totstandkoming van de bundel Enkele gedichten (1973) bemoeit hij zich flink. Aan een medewerker van uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep: 'Vergeet u niet een tiental exemplaren op een extra mooi papier te laten drukken om in te laten binden voor de extra liefhebber?'
Dat Van Geel zoveel aan te merken had op de drie verschijningsvormen van zijn laatste bundel, zou de lezer zonder Ik ben een onderling onverzoenlijk ratjetoe niet geweten hebben. Voor de rugbelettering van de gebonden editie is een verkeerd corps gebruikt, naam en vignet van de uitgeverij zijn op de titelpagina te groot uitgevallen, het omslag van de ingenaaide editie is te besmettelijk en kwetsbaar. Van Geel voelt zich ook gepasseerd: in de flaptekst heeft hij geen inspraak gehad, het papier voor het binnenwerk van de luxe editie mocht hij niet zelf kiezen.
'En wat kreeg ik? Een van grote onbetrokkenheid blijk gevend bijschrift én ezelsoren'.
Ik kon de gedachte niet onderdrukken dat Enkele gedichten van Chr. J. van Geel een nagel aan zijn doodskist was.
16 februari 2013
Toelichting
De dichter Chr. J. van Geel (1917-1974) somde in 1968, in een bedelbrief aan het Ministerie van Cultuur Recreatie en Maatschappelijk Werk, op met welke uitgeefplannen hij rondliep. Het 'verzamelen en selecteren van mijn brieven' ten behoeve van een uitgave stond ook op zijn verlanglijst. In november 2012 lag, als onberispelijke Van Oorschot-bundel, Ik ben een onderling onverzoenlijk ratjetoe in de winkel. Sinds half december lag het naast mijn bed.
Een onmogelijk boek. De lezer mist, misschien omdat dit slechts een beperkte keuze uit alle bekende brieven is, vaak context. Er moet dus veel toegelicht worden. Van Geel is op sommige momenten bovendien onnavolgbaar, zijn gedachten gaan alle kanten uit ('och ja, zo kan alleen een dichter het zeggen'). Marsha Keja en Jabik Veenbaas, de bezorgers, hebben de nodige toelichtingen bij de brieven niet in genummerde voet- of eindnoten geplaatst, maar per brief in een alinea lopende tekst. De lezer weet dus niet wat er in een brief wel of niet wordt verduidelijkt, en wordt er dan iets toegelicht, dan is hij niet zeker waar hij de toelichting moet vinden. Een zenuwachtig heen en weer geblader en gepuzzel tot gevolg.
Bij brief 23 was ik mijn leeslust kwijt.
Een onmogelijk boek. De lezer mist, misschien omdat dit slechts een beperkte keuze uit alle bekende brieven is, vaak context. Er moet dus veel toegelicht worden. Van Geel is op sommige momenten bovendien onnavolgbaar, zijn gedachten gaan alle kanten uit ('och ja, zo kan alleen een dichter het zeggen'). Marsha Keja en Jabik Veenbaas, de bezorgers, hebben de nodige toelichtingen bij de brieven niet in genummerde voet- of eindnoten geplaatst, maar per brief in een alinea lopende tekst. De lezer weet dus niet wat er in een brief wel of niet wordt verduidelijkt, en wordt er dan iets toegelicht, dan is hij niet zeker waar hij de toelichting moet vinden. Een zenuwachtig heen en weer geblader en gepuzzel tot gevolg.
Bij brief 23 was ik mijn leeslust kwijt.
Abonneren op:
Berichten (Atom)